De kus

In de deuropening gaf hij haar een verkeerd gemikte kus. Na achttien jaar huwelijk vond Maria dat erg onnodig. Smerig zelfs. Ze hadden geaccepteerd dat seks een gepasseerd station was, hij met z’n bierwalm en -buik, zij met dat geföhnde haar en haar vleeskleurige ondergoed. Ze deden al lang niet meer alsof, ze kusten elkaar op de wang voor vertrek als mild teken van affectie, van acceptatie: ik accepteer dat je er bent, ik accepteer dit leven, ik accepteer deze relatie, het is niet anders, ik heb niets anders. En dat klinkt treurig, en dat was het ook, maar alleen-zijn is treuriger: one is the loneliest number. Dat stond ooit op een fortune cookie dat Maria kreeg in een tijd waarin ze nog hoopte op romantische oprispingen van haar man. Tevergeefs.

Maria is een vrouw van halverwege de veertig. Elke dag föhnt ze haar haren naar het model van Lady Di en dat is nog verrekte veel werk. Dan doet ze clipons in haar oren in de kleur van haar trui van die dag. Ze draagt altijd grote truien, warm and comfy, en rokken tot op de knie.

Ze woont in Liverpool, maar ze kent de Beatles niet, al zijn ze van haar leeftijd. Ze woont in een wijk waar alle huizen op elkaar lijken, waar alle mensen op elkaar lijken, en waar alle mensen sinds twee jaar werkeloos lijken te zijn. Nou ja, dat lijkt niet zo, het is zo, het is zeker zo voor haar man Tom.

Het gezin begrijpt nog steeds niet hoe je na twintig jaren vaste dienst naar huis gestuurd kan worden. Het gezin begrijpt nog steeds niet wat je moet doen als dat gebeurt. Maria’s zoon Michael neemt al twee jaar geen vrienden meer mee naar huis. Maria heeft al twee jaar helemaal geen seks meer gehad en ze weet niet of dat ook voor Tom geldt.

Met die kus was hij te dichtbij geweest. Zijn iets te lange snorharen schuurden als weerhaken langs haar uitgedroogde lippen. De geur van koffie en shag. Godver wat was ze geschrokken, alsof ze zich ineens herinnerde dat zij, dat hij, dat zij allebei mensen van vlees en bloed waren. Hij keek haar ook nog aan, vluchtig, hij kleurde rood, sorry, zei hij, en hij hoestte gelijktijdig en hij keek weg en zij, Maria, zij dacht: ‘Wanneer ben ik in jezusnaam voor het laatst gekust? Wanneer ben ik voor het laatst goed geneukt?’ En ze zag haar man zijn broek nog eens ophijsen aan de achterkant, omdat de voorkant toch wel onder zijn buik naar beneden zakte.

Michael stond al springend buiten, zijn leven was simpel als je hem regelmatig kleine porties puur geluk toeschoof: de custardpudding van mam en naar een voetbalwedstrijd met z’n pa. De mannen zetten hun Liverpool-pet op en Tom trok de deur dicht.

Maria liep naar de keuken en begon aan de afwas. Wat was er nog, dacht ze in de stilte van borden in sop, wat was er nog aan liefde in haar leven? Ze deden niets samen, ze wilden niets samen. Ze hadden wel een verleden, maar wat koop je nou met een verleden, een emmer vol goedkope herinneringen en een schoenendoos met foto’s. Ze kreeg de bloody custard niet uit de fucking pan. Ze pakte een schuursponsje en begon te schrobben.

Dit is het leven, zo dacht Maria erover, keuzes maken en daarin berusten. Ze had een goede man gekozen en dus moest ze maar accepteren dat er met hem op een dag geen fuck meer te beleven viel. Zo zeiden vriendinnen dat, zo zei ze het zelf altijd.

Maar dit was het, dacht ze. Dit was een teken: de misplaatste kus. Het leven is: keuzes maken en erin berusten, tot je ineens het teken krijgt dat het anders moet. Dit was het.

Ze gooide de laatste pan in het rek en trok de stop eruit. Bij het slurpende geluid van de wasbak die leegliep, voelde het alsof haar brein werd leeggezogen. Ze had veel te lang gewacht op een teken.

Hij had haar versierd in een pub en het had welke andere man dan ook kunnen zijn, dat wist ze ook wel, dat wist hij ook wel, maar hij had volgehouden, omdat hij haar echt leuk vond. Ze lachte om zijn grapjes en ze wist dat hij haar mooi vond als ze lachte. Maar wanneer waren de grapjes gestopt?

Ze pakte een droogdoek.

Ik wil dit stomme leven niet.

Dat was alles. Je hoeft het maar één keer te denken. Niemand houdt je tegen. Niemand stopt deze gedachtenstroom, dit braaksel aan emoties, niemand weerhoudt je ervan om dit te denken: ik wil dit stomme leven niet. Ik kan het wel alleen. Ik doe alles toch al alleen. Stel je de toekomst voor, de horror. Nog eens veertig jaar zonder lol, zonder liefde, zonder seks. Ik kan wel beter. Oh zeker kan ik beter. Zoek het maar uit. Zoek het maar uit Tom! riep ze tegen de keukentegeltjes. Er sneuvelde ergens een bord. Ga in je eentje op de bank zitten! Ga d’r vandoor met een lekker jong ding! Ik ga d’r niet op zitten wachten! Ik stap eruit. Nu. Liefst vandaag nog. Nu. Nu. Nu.

En ze stond al boven met een koffer in haar hand. Maria gooide de koffer open en begon met haar ondergoed. Sokken. Panty’s. Rokken. Truien. Ze zou naar haar zus gaan. Geen idee wat die ervan zou vinden, maar ze had een stretcher in de kelder en geen man die zou gaan zeiken.

Clipons. Föhn.

Klaar. Kalm, kalmer dan ooit, liep ze de trap af. Als je aan een nieuw leven wilt beginnen, wil je niet van de trap vallen. Een nieuw leven. Aardig ideetje. Ze keek in de keuken naar het bord dat in stukken op de grond lag. Ze liet het liggen. Ze zou niets meer opruimen in dit huis.

Ze trok uit een keukenkastje haar blender op het aanrecht. Dit was haar zondagmiddagritueel; misschien voor het laatst. Ze gooide er een banaan in. Uit de koelkast pakte ze twee handenvol bramen die ze eerder deze week geplukt had. Met een jerrycan sinaasappelsap vulde ze de blender bij tot alles in het sap stond. Ze zette de blender aan. Het apparaat begon te trillen, trilde door tot in haar hoofd. Haar dikke duim hield ze stevig op de knop gedrukt. Nu tot tien tellen. Ze staarde naar de keukentegels.

Eén. De grond onder haar voeten viel weg, hier begon het: de val in een bodemloze put, een zwart gat, niets meer om vast te grijpen, je valt en valt en valt en er is geen stoppen en in die val denk je:

Twee. Het is verdomme allemaal zinloos, alles is altijd al zinloos geweest en wat ik ook doe, het doet er niet toe.

En drie. Huilen.
Huilen huilen huilen.

Vier: een plotselinge Gilles de la Tourette-achtige kramp van dingen die je nooit hardop denkt, vieze penissen die je ooit in de mond nam, anale seks, een uitgelubberde kut, een uitgescheurde kut, zachte korstjes, stinkende wonden en de velletjesmelk van je moeder en

Vijf: zou m’n moeder ook ooit anale seks hebben gehad en dacht zij toen ook: ‘Nou,een bevalling is nog fijner, daar hou je tenminste een kind aan over’

Zes. Kut. Kutbaan. Kuthuis. Kutkind. Kutleven.

Zeven. Ik haat hem. Hij moet dood. Een hakbijl in z’n hoofd, hoppa, splatsj, een mes in z’n buik, z’n vieze vette buik, z’n ingewanden in de blender, op het knopje drukken, bzzzj, en geef het aan de honden, dat is altijd de snelste manier om al je shit weg te werken.

Acht: je zult alleen zijn. Er is alleen deze bodemloze put en de echo van je gevloek.

Negen. Je zult alleen sterven.

Tien.

Ze liet het knopje van de blender los en schonk de fruitdrank in een groot glas. Ze ging op de bank zitten met het laatste nummer van Home & Garden.

De telefoon ging.

‘Maria?’

‘Ja?’

‘Zijn Tom en Michael naar de wedstrijd?’

‘Uhuh.’ Ze slurpte haar glas leeg.

‘Het is niet goed daar. Er zijn rellen ofzo. Het is op tv. Misschien moet je niet kijken. Ik weet het niet. Zal ik naar je toe komen?’

‘Wat? Nee joh, het zal toch wel meevallen.’

‘Weet je ’t zeker?’

‘Ik kijk zo wel even op tv.’

‘Er is een telefoonnummer dat je kunt bellen.’

‘Ben je gek joh. De wedstrijd is amper begonnen. Ik zie ze wel weer verschijnen.’

Natuurlijk dacht ze aan Michael. En natuurlijk begon de voorspelbare achtbaan van emoties, de trits van geloof, hoop en liefde die mensen tot religie hebben uitgeroepen, maar wat niets anders is dan ons geestelijk dagelijks leven, geloven, hopen, liefhebben, geloven dat alles goed komt, dat het nu goed is of dat er iets beters voor je is, hopen op een beter leven, hopen dat je man verandert, hopen dat je leven verandert en liefhebben of niet liefhebben, dat is alles. Ze belde het telefoonnummer niet. Ze keek naar de tv en huilde de hele avond. Misschien betekende het teken toch iets anders. Hopen dat het niet zo is, geloven dat het niet zo is, liefhebben wat er misschien niet meer is, ze huilde.

Hij kwam thuis die avond, met Michael. Ze vielen elkaar in de armen. Hij had mensen zien sterven. Zij had de bodemloze put gezien. Was het een gelijkspel?

Ze gingen naar bed. Hij trok juist z’n sokken uit, zij liep de slaapkamer in, en hij zei: ‘Wat staat die koffer daar?’

One Comment Voeg uw reactie toe

  1. jusd schreef:

    Dit is op Jusd herblogd.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s