Een nieuwe witte kamer

Als de kinderen hier een weekend geweest zijn (dit verhaal start in medias res, maar een goede lezer begrijpt dat wel), hebben alle spullen een andere plaats gekregen. Er is een voetbal verdwenen en er ligt een pak knutselpapier uitgestort op de slaapkamervloer. Op een klein IKEA-bijzettafeltje staat nu de laptop met drie snoeren eraan, maar ook een doosje kleurpotloden en een stapel boeken die je in geen enkele boekwinkel bij elkaar op een verkooptafel zou aantreffen: Schrijvende vrouwen, Floddertje, Sprakeloos, De Correcties, en (last but not least) Het klompje dat op ’t water dreef, wie kent ‘m niet. De bijzettafel doet ook dienst als krantenbak, er ligt een Allerhande en de Tros Kompas die hier altijd verkeerd bezorgd wordt en ik ben wel bang voor deurwaarders die op een dag mijn inboedel komen halen omdat ik mijn lidmaatschap van de Tros niet heb betaald. Maar het staat ook niet op mijn naam, ik heb nergens om gevraagd, ik vraag nooit ergens om. Er liggen ook nog wat kleine klusjes op de tafel, een verzoek om commentaar te geven op de eerste versie van een lesboek, er ligt een notitieblok dat altijd vraagt om briljante ingevingen en het laatste nieuwe hoofdstuk voor mijn eerste boek en m’n telefoon ligt er, m’n lifeline naar de rest van de wereld. Kortom, dit is nu mijn bureau, ik heb ook andere plekken die ik als bureau gebruik, de eettafel, de bar, ja ik heb een bar in mijn huis, maar wat ik wilde zeggen is: de dingen hebben hier geen vaste plek. Ik woon er nog niet zo lang.

Laatst was ik op een borrel, ik zat aan tafel met een aantal mensen die ik nog niet kende. In twee minuten legde ik uit wat voor werk ik deed en wat mijn huwelijkse staat was. Even later ging het gesprek over eten, over de beste restaurants in de stad, over een zekere pizzeria die niet al te grote pizza’s serveerde. De vrouw naast mij, die me al verteld had dat zij twee jaar eerder gescheiden was, zei: ‘Jij eet vast niet zoveel. Of is dat een echtscheidingsmaatje 36?’

Voor het eerst bezocht ik mijn Rotterdamse huisarts. Mijn knie was dik na de trip naar Berlijn. Ik zei mijn naam en hij wist wie ik was. Er bestaan huisartsen die patiëntendossiers onthouden, dacht ik. ‘Nieuw in Rotterdam?’ vroeg hij, dus ik deed de elevator pitch van dit leven van mij. Hij vroeg waarom. Ik zei iets over mezelf ontwikkelen, over liefde etcetera, over een relatie waarin we te dicht op elkaar zaten, voor mij in ieder geval. ‘En ben je ook iemand die zelfstandig kan leven?’ vroeg hij. Ik dacht het wel. Ik was net op een trip alleen naar Berlijn geweest. ‘Dat moet je vooral doen! Ga, exploreer, ontdek de wereld. Je bent nog jong.’ Hij hield zijn armen in een breed gebaar. Nog nooit had iemand op maandagmorgen om 8.15 uur zoiets tegen me gezegd. Toen keek hij naar m’n knie. Daarmee zou het ook goed komen, deze week zelfs nog. Hij gaf me een hand en zei: ‘Veel succes. Verken de wereld.’

Ik heb een nieuwe witte kamer.

Ik ben teruggekomen in het Oude Noorden. Ik kwam in een auto die ik zelf reed. Een jaar eerder had ik nog nooit zelf een autoritje gemaakt en ik dacht niet dat ik dat ooit zou doen, zoals ik ook dacht dat het nooit over zou gaan en dat áls het over zou gaan, het vast niet aan mij zou liggen. Met de auto ging ik twee keer heen en weer, eerst met alles wat ik bij IKEA had ingeslagen, daarna met m’n persoonlijke spullen. Hier valt verder niet veel over te vertellen, behalve dat IKEA eigenlijk de laatste plaats op aarde is waar je wilt zijn als je kort daarvoor je huwelijk opgegeven hebt. Maar dat was misschien het enige in dit verhaal wat ik wel van tevoren had kunnen bedenken.

 

Michelle van Dijk, 14 augustus 2011

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s