België

We reden terug onder een regenboog zoals je die alleen bij de Troetelbeertjes ziet. Dat leek me een mooi begin voor een niet al te lange autorit, maar ik had toch moeten weten dat zulke voortekenen alleen in tekenfilms bestaan. In werkelijkheid reed ik op gebrekkige Belgische N-wegen met een Tomtom die dienst weigerde, een bewegwijzering naar allerlei schattige Vlaamse dorpjes maar niet één bord richting Antwerpen en een misselijk kind achterin dat bij elke bocht, bij elk stoplicht, bij elke hobbel, kreunde, gilde en riep: ‘Ik kan het niet meer houden! Ik moet spugen!’ Ik begreep haar volkomen, ik herinner me tientallen autokotspartijen in mijn jeugd, en dan die beroerde Belgische wegen en dan mijn beroerde rijstijl, ik werd er zelf ook misselijk van. Het andere kind snauwde, zoals alleen broers dat kunnen (oké, zussen ook): ‘Je hebt toch een zakje, zeur dan niet, spuug erin.’

Dus we waren in België geweest. We waren te gast bij een vriendelijk Vlaams gezin. ’s Ochtends werd ik wakker met Leonard Cohen, elke dag weer, en dat was prettig. Suzanne bleek de perfecte ochtendsong, perfect voor deze vakantie, voor mijn gemoed, you know that she will trust you / for you’ve touched her perfect body with your mind. Maar overal waren kleine vingerwijzingen naar een leven in woorden en verhalen; toen ik zomaar een boekwinkel binnenliep draaiden ze daar ‘Ne me quitte pas’ van Jacques Brel – welke Nederlandse boekhandel zou het aandurven om dat in de winkel te draaien, iedereen zou er toch zomaar van kunnen gaan huilen. En in Antwerpen zagen we de Hand van reus Antigoon en Brabo die zijn hand had afgehakt, we zagen Lange Wapper en twee zuiplappen en al die verhalen hoorden we ’s avonds bij het avondeten en de kinderen luisterden ernaar met open mond.

Eigenlijk was België een beetje een tegenvaller, voor de kinderen dan. Een buitenland waar ze gewoon Nederlands spreken, saai. Dus we zochten naar taalverschillen. ‘Slaap wel,’ werd er ’s avonds gezegd – dat betekent slaap lekker, dat snapten ze wel. En een vouwfiets heette een plooifiets, in de trein deden twee heren een komische sketch, de conducteur zei: Allez, als gij een plooifiets meebrengt, moet-ge-n-em wel opplooien, se.’
In het zwembad droeg de badmeester een T-shirt waarop op de rug stond: REDDER. Ik vond dat mooi. Ik ken geen andere taal waarin een reddingsbrigade, badmeester, strandwacht, brandweerman of politieagent zich in functie een redder noemt. Je moet toch al eerst iemand gered hebben. Ik dacht dat alleen Jezus Christus redder van beroep was.

Ik dronk bier met de merknaam Nog ééntje.

Maar vooruit, ik ben Hollander. Dit was natuurlijk het allergrappigst:

2 Comments Voeg uw reactie toe

  1. mverheij schreef:

    Ja, het staat er iets te klein. Maar het wiplokaal was steeds gesloten als ik er langskwam, dus het is me niet gelukt er even een snelle wip te maken. (Oh, oh, zo flauw, maar ze vragen erom met zo’n naam.)

    Like

  2. Moest wel even op de foto klikken… het is dus een wiplokaal. En nog even langsgewipt?

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s