Leesbevordering of Bildung?

De hele discussie over literatuuronderwijs (klik en lees het eerste bericht) komt neer op verwarring over wat de docent wil bereiken: leesbevordering of Bildung. Er zijn veel docenten die blij zijn als leerlingen al iets lezen, het maakt niet uit wat ze lezen. Andere docenten vinden dat leerlingen ‘echte literatuur’ moeten lezen omdat ze er ook nog iets van moeten leren. Kortom, wil ik dat de leerlingen goed kunnen lezen of wil ik dat ze door het lezen zichzelf ontwikkelen? En wat doen we dan met leesplezier, want zoveel leerlingen ‘verliezen het leesplezier’ door de literatuurlijst?

In de eerste plaats: zonder leesplezier kom je nergens, maar dat is niet het doel. Leesplezier is de energie waarop het lees- en literatuuronderwijs draait. Laat geen energie weglekken, dan functioneert je onderwijs beter en heeft de leerling ook nog leesplezier over na de literatuurlijst. Dus doe de lollige dingen. Verdeel rollen bij een toneelstuk. Haal gekke stukjes uit de krant. Discussieer over één uitspraak van een schrijver. Maak een gedicht van een weerbericht. Leer een gedicht uit je hoofd en draag voor. Voor ouders: lees thuis voor met idiote stemmetjes. Koop een boek in de Kinderboekenweek of maak van elk bezoek aan de bibliotheek een uitje. Lach hardop als je zelf een boek leest. Ja, echt, als je tenminste dat type boeken leest…

De leesbevordering moet in een tijd van ontlezing een doel zijn van elke opvoeder: van elke ouder of leraar. Het is niet alleen de taak van de leraar Nederlands. Ik herhaal dit graag: elke leraar en elke ouder moet kinderen aanmoedigen om te lezen, te lezen, te lezen. Wees eerlijk: je bent zelf ooit slimmer geworden door te lezen en dat gun je elk kind. De achterstand van niet-lezers is in het voortgezet onderwijs al bijna niet meer in te halen. Een ervaren lezer leest sneller en snapt sneller wat hij/zij leest. Dus laat kinderen leeskilometers maken, thuis en in de klas. Een ouder mag het principe hanteren van ‘alles mag, als er maar gelezen wordt’. Zorg dat er altijd aanbod is: kranten, strips, informatie boeken, fictie. Een leraar, in welk vak dan ook, zou teksten moeten aanbieden die belangrijk zijn voor de les, onmisbaar zelfs. In elk vak zou wekelijks een tekst voorbij moeten komen die onmisbaar is voor een opdracht, niet al te moeilijk en wél actueel, een tekst die aansluit bij de belevingswereld van de leerling.

Maar nu komen we pas bij het literatuuronderwijs. De kwestie is niet ‘wel of geen klassiekers’. De vraag is of je leerlingen uitdaagt om nieuwe kennis tot zich te nemen, om nieuwe paden te verkennen, om nieuwe woorden te ontdekken, om zichzelf te ontwikkelen. Dat is wat literatuur te bieden heeft – en dat is wat we missen in thrillers en chicklit, om ook die vraag maar direct te beantwoorden. Daarom stellen leraren vaak een advieslijst op, daarom zeggen ze in de onderbouw tegen leerlingen: ‘Lees nu eens iets anders dan een boek van Carry Slee.’

Bij sommige boeken is de begeleiding van de docent nodig, omdat zo’n boek anders voor een zestienjarige niet te begrijpen is. We weten ook dat leerlingen literair inzicht krijgen door met elkaar over de boeken te spreken, dus de docent moet de leerlingen niet zomaar in het diepe gooien, maar gelegenheid geven voor verwerking. En zo’n advieslijst moet niet een lijst met geboden of verboden zijn, maar de lat die je op haalbare hoogte stelt. Veel nuttiger zijn persoonlijke adviezen, al moet je behoorlijk wat boeken kennen om daar goed in te zijn. Ik heb een knipselschrift met typische lijstboeken; ook boeken die ik niet lees, maar in recensies wel geschikt lijken, voeg ik daaraan toe en leerlingen kunnen in dit schrift ideeën opdoen.

Ouders zijn helaas ook niet altijd in staat tot goed advies, ik moet elke keer weer op m’n tong bijten als ik een leerling bij z’n literatuurexamen hoor zeggen: ‘Mijn moeder had dit nog staan en zij vond het wel goed.’ (Oh, echt? En wat vond je moeder van Fifty shades of grey?)

Maar nog veel dodelijker dan een strenge lijst en ouders met de beste bedoelingen vind ik dus de docent die al blij is dat ze iets lezen; alsof een gymleraar al blij is dat leerling A aan de warming-up meedoet en de hele les lang koprollen maakt. Of de docent die verwacht dat leerlingen die Het land van herkomst willen lezen, dat wel uit eigen interesse zullen oppakken; welk boek zei je? Hoeveel pagina’s? Wie is de schrijver? En hoe moet een kind van zestien dat in godsnaam weten en uit eigen interesse ontdekken? Zo gooi je de deur dicht, juist ook voor de kinderen die thuis zélfs geen Fifty shades of grey hebben staan.

Ik verwijs opnieuw naar het schotschrift van Alex Boogers, De lezer is niet dood: 

Misschien had een docent mij kunnen inspireren om te lezen, om dit boek te vinden, of anders een ander boek, dat ik niet kende en dat mij evenzeer zou aanspreken. Het boek was er wel, er ligt altijd ergens een boek op je te wachten, maar de docent die me erop kon wijzen was er niet. Zulke docenten, voor zover ze zich niet al elke dag onvermoeid inspannen, moeten nu opstaan en zich laten horen. Het is tijd.

boogers

 

Meer ideeën over het ideale literatuuronderwijs volgen morgen en overmorgen!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s