Oh Proveniersplein

Het mag het mooiste moderne treinstation van Nederland zijn, maar de achterkant is toch altijd maar de achterkant, dat is zoiets als de kont van de ezel spelen in de kerstmusical. Dus bij de opening van Station Kapsalon kwam de koning zelf even kijken en aan de achterkant sprak wethouder Robert Simons een paar woorden in een opgeblazen tent. Big band Vals Plat! zong met de buurt ‘Oh Proveniersplein’ en ik las deze column voor (waarschuwing: zelfplagiaat).

Ze fokken met m’n geheugen, denk ik elke keer als ik op Rotterdam Centraal loop. Er moet een verbod komen op het onherstelbaar wijzigen van belangrijke plekken in mensenlevens. Ze gummen de plek uit waar ik met m’n eerste vriendje zoende, of de tranen uitwiste om al die andere, vooral die ene, die me genadeloos gedumpt had en daarna liefjes de trein in bonjourde. Die exacte plek van dat bankje, het x en y van de eerste zoen, werd een plek in de lucht, of onder de grond, of er staat geen bankje meer en er is niets herkenbaars waardoor je weet dat het er wel was en nog even en je dacht dat het allemaal verzonnen was, dat je nooit voor het eerst gekust bent.

Nu ik hier ook al een tijdje woon, vraag ik me af wat er wel gebleven is.

Meer dan tien jaar waren de bouwvakkers onze buren. Elke dag opnieuw struikelden we over de nieuwe fietsroute die we die dag weer moesten rijden. Iedere dag weer zochten de hangmannen van achter het station een nieuwe plek. Serieuze vraag voor ons gezin: ‘Waar staat de oliebollenkraam dit jaar?’ En mijn vriend ontdekte vanzelf wel dat deze tunnel lager is dan de vorige. Ik adviseer een verkeersbord: ‘Lange mannen moeten niet op hun trappers staan.’ Ik had nooit gedacht, niet toen ik hier als tiener kwam, niet bij de eerste plannen voor het station 14 jaar geleden, dat op de plek waar ik stiekeme sigaretjes rookte, nu een rij antiterreurpalen zou staan.

En nu alles, ja zelfs de tramrails en dönertent áchter het station glimmend en stralend nieuw zijn, is dat de vraag: wat is er gebleven? Oh ja, ik weet het wel: het water. Ik bedoel natuurlijk de prachtige singel. En de vijvertjes die ik soms in achtertuinen zien. Plus rioollucht hier en daar. Was dat altijd al zo? Want daar zie ik nog wel wat ruimte voor verbetering.

Bij regen was ik bang om te verdwijnen in een sinkhole, een gat onder een van die gigantische reuzenblubberplassen die er lagen, omdat je niet kon zien hoe diep het water was en je hoort wel eens verhalen, en in mijn verbeelding zonk de hele Provenierswijk weg in een grote vijver, een Atlantis achter het station.

Dat is niet gebeurd. Het is klaar.

Ik zag in een online video dat treinmachinist Yunus Emre een maand geleden zijn vriendin Aleyna ten huwelijk vroeg in de hal van centraal station. Prachtig. Deze plek is niet zomaar een plek in de stad. Dat weet je als je hier woont. Dat weet je ook als je hier elke dag met de trein reist. Een megastation heeft magie. Voor Yunus hoop ik dat dit gebouw blijft, zodat daar altijd de plek is waar je vrouw ja tegen je zei. Maar zelfs als ze een ander gebouw neerzetten, het is als met het water: het is nooit hetzelfde, maar het gaat nooit meer weg.

De wethouder, de presentator en daarachter: ik

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s