Wat het hart leerde – het puberdagboek

on

(PAS OP! HEFTIGE DAGBOEKONTHULLINGEN IN DIT BERICHT!)

Op de eerste avond van Woordnacht vertelde Aleid Truijens over Hella Haasse. Zij schrijft een biografie over deze fantastische auteur, zonder twijfel een van de beste van de twintigste eeuw. Truijens is in het archief van Hella Haasse gedoken en trof daar de meest persoonlijke documenten aan, zoals puberdagboeken, waarin Haasse veel over jongens schreef. En dat terwijl Haasse achteraf vooral sprak over wat ze op school aan inspiratie had opgepikt; niets over al die jongens. Truijens las er zelfs een stukje uit voor, waarin de jonge Hella haar liefde voor Bob bekende, met wie en over wie ze urenlang kon ‘zwammen’. Fascinerend en ik kijk uit naar de biografie. Maar dit deed mij pijn: Truijens noemde Hella hier vanwege dat zwammen een ‘bakvis’.

Dat woord moet naar de prullenbak. Wat een typisch verschijnsel dat er alleen voor de puberziel van meisjes zo’n spottend woord in gebruik is. Een meisje dat zich in haar meest persoonlijke egodocumenten overgeeft aan een verliefdheid of openlijk dweept met een idool, wordt een bakvis genoemd. Een meisje dat van man naar man hopt zonder al te veel gevoel, een slet – dat is de andere kant van de medaille en dat zijn de hokjes waarin pubermeisjes zich mogen plaatsen, blijkbaar. En jongens dan? Een tere ziel is een literaire geest in wording. Een afgewezen verkering wordt het Leitmotiv van zijn oeuvre. Een huilbui een existentiële crisis.  De kiem voor zijn latere briljante schrijversloopbaan. 

Eerder vertelde ik dat ik voor een nieuwe roman ook in mijn eigen archieven ben gedoken.  Dit keer waren de dagboeken aan de beurt. Ik zal hier nu enkele grote onthullingen doen die geen enkele plek in mijn literaire werk gaan krijgen. Nee wacht, ik vertel eerst waarom niet.

het geheime geldkistje met alle dagboeken

Heel veel mensen schrijven in dagboeken, misschien meer meisjes dan jongens, misschien meer tieners dan volwassenen, maar toch worden ze niet allemaal literaire schrijvers. Mijn geschreven dagboeken lopen van 1991, toen ik op school van Sinterklaas een dagboek kreeg, tot 1999. Daar stopt het om twee redenen: de computer bevat vanaf dat moment al mijn schrijfwerk en in mijn schrijfwerk lopen vanaf dan fictie en werkelijkheid volledig door elkaar. In de dagboeken kan ik zien dat dat laatste al ergens in 1996, 1997 begint, waar ik ervoor kies om een gebeurtenis (met een vriendje) als verhaal te beschrijven.

Voor een biograaf zou dat het interessante moeten zijn: waar gaat de primaire behoefte van papier op gevoel smijten over in een relaas op afstand, de schrijver doet een stapje terug en bekijkt zichzelf en het gebeurde en geeft er een andere vorm aan? Die primaire uitingen zijn op zichzelf niet zó interessant. Die laten hooguit zien dat de dagboekschrijver een puber is zoals alle andere, want laten we aan iemand die in dagboeken zwelgt in liefdesverdriet of dweept met jongensnamen (de naam alleen al is genoeg, je kent het wel, zie afbeelding hieronder) nu geen hele bijzondere karaktereigenschappen toekennen: zo is de puberteit. We dweepten met z’n allen de schooldagen door.

(Mathieu, als je dit per ongeluk leest: sorry man. Maar het werd toch nooit wat en het is 24 jaar geleden, ik denk dat je het kunt hebben.)

Ach, de puberteit. Ik leerde ook wel iets op school, maar dat zet je toch niet in een dagboek, daar heb je een wiskundeschrift voor? Af en toe vliegt er in de dagboeken een Griekse filosoof of tragedieschrijver voorbij, maar zij moeten concurreren met de twintig jongens op wie ik in 1995 verliefd was, bijvoorbeeld (nee, dat rijtje plaats ik hier niet), of de acht jongens met wie ik op eersteklaskamp schuifelde, of de ontdekkingen van onze tijd: de floint is een joint die je tussen twee flippo’s klemt, waardoor je dieper inhaleert.

Wat je op school leerde, besprak je op school. Wat je hart leerde, kwam in dat dagboek.

En laten we niet vergeten dat de obsessie met het sociale (niet alleen het contact met jongens, maar ook met meisjes of familie kostten mij hoofdbrekens, als ik mijn dagboeken teruglees) en de obsessie met seks en verliefdheid nogal fysiek ingegeven zijn. Dat is de ontwikkeling die het puberbrein en -lichaam doormaken. Een biograaf moet op zoek naar wie iemand was en hoe hij/zij zo geworden is, maar moet toch de zwaarte van pubertaal wegstrepen met deze kennis in gedachten. Niet voor niets zijn er sessies ‘cringe reading’ tegenwoordig, waarin mensen uit oude dagboeken voorlezen: om te lachen, vanwege de herkenbaarheid. En herkenbaarheid is natuurlijk geen vreemd motief in een biografie – ik wil heel graag het gevoel hebben dat Hella Haasse een gewoon meisje, een gewone vrouw was, dat plaatst haar iets dichterbij mij, maar kom op, liever hoor ik waarin zij onderscheidend was, zodat we met Hella kunnen dwepen. Als een puber.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.